
01 apr Omgaan met pubers: wat werkt wél (en wat juist niet)
Omgaan met pubers: wat werkt wél (en wat juist niet)

Liever luisteren?
Omgaan met pubers vraagt een andere aanpak dan het opvoeden of begeleiden van jonge kinderen. Door de enorme veranderingen in het puberbrein, het lichaam en de ontwikkeling van autonomie kunnen pubers vaak grillig, teruggetrokken of fel reageren. Wie begrijpt wat er onder de oppervlakte gebeurt en de communicatie daarop afstemt, voorkomt strijd en vergroot verbinding. In dit artikel lees je wat er in de puberteit speelt, welke communicatie averechts werkt en wat juist helpt in het contact met pubers.

Liever luisteren?
Luister hier de podcast
Waarom omgaan met pubers zo uitdagend kan zijn
Rollende ogen, vergeten spullen, dichtslaande deuren of teruggetrokken gedrag. Veel ouders en professionals herkennen het gevoel: ik kan hem/haar niet bereiken. Wat vroeger werkte, lijkt ineens niet meer te helpen. Dat is verwarrend en soms zelfs frustrerend. Toch is dit gedrag zelden persoonlijk bedoeld. Pubers zien het probleem vaak niet. Of zoals een zestienjarige in onze praktijk het ooit treffend verwoordde: “Mijn ouders hebben een probleem met mij, maar ík heb geen probleem.” En daar zit precies de kern .
Het puberbrein: een huis in verbouwing
Een puber kun je vergelijken met een huis dat bijna af is, maar waarvan de bedrading nog niet stabiel is. Het ziet er van buiten volwassen uit, maar van binnen moet er nog van alles gebeuren. De prefrontale cortex (het deel van het brein dat verantwoordelijk is voor plannen, overzicht, reflectie en impulscontrole) is nog volop in ontwikkeling. En juist dat deel hebben we nodig om vooruit te denken, gevolgen te overzien en emoties te reguleren. Tegelijkertijd doen we daar voortdurend een beroep op bij pubers. En dan spelen er ook nog hormonale veranderingen. Bij jongens neemt het testosteron exponentieel toe, wat invloed heeft op prikkelbaarheid, impulsiviteit en prestatiedrang. Bij meisjes stijgt het oestrogeen sterk, wat zorgt voor grotere gevoeligheid voor sociale signalen, stemmingswisselingen en emotionele intensiteit. Het lijf staat letterlijk “aan”. Dat maakt deze fase niet alleen verwarrend voor de puber zelf, maar ook voor de omgeving.
Waarom straffen, pushen en preken niet werkt
Een van de grootste valkuilen in het omgaan met pubers is straffen, belonen en duwen. Wat bij jongere kinderen soms nog effect heeft, werkt bij pubers vaak totaal averechts. Straffen en belonen lokken strijd uit. Ze versterken het gevoel van: ik doe het toch nooit goed. Preken mist het doel: de boodschap komt niet binnen, of het roept juist weerstand op. En woorden als “je moet” zetten bij pubers vrijwel automatisch de rem erop. Hoe meer druk je uitvoert, hoe groter de kans dat een puber zich afsluit, zich verzet of afhaakt.
Wat wél werkt in het contact met pubers
1. Stel vragen in plaats van instructies geven
Pubers hebben een sterke behoefte aan autonomie. Vragen stellen geeft ruimte en verantwoordelijkheid, zonder de regie volledig los te laten.
Niet: “Ga nu je huiswerk maken”
Maar: “Wanneer ga je het doen: vanmiddag of vanavond?”
Je biedt een keuze binnen duidelijke kaders. Dat voelt voor een puber wezenlijk anders dan gestuurd worden.
2. Wees congruent en echt
Pubers prikken feilloos door incongruentie heen. Zeg je dat iets niet uitmaakt, terwijl het dat wél doet? Dan ben je ze kwijt. Wat je zegt en wat je voelt moet kloppen. Durf daarom ook te delen wat iets met jóu doet.
“Ik merk dat ik hier onrustig van word”
“Ik schrik hiervan”
Dat is geen zwakte, maar eerlijkheid. Het nodigt uit tot echt contact in plaats van discussie.
3. Neem emoties serieus, zonder ze te weerleggen
Wanneer een puber zegt: “Ik voel me dik” of “niemand vindt mij leuk”, is de neiging groot om snel te sussen of weerleggen. Maar dat werkt zelden. Wat wel helpt is vragen stellen:
“Hoe kom je daarbij?”
“Wanneer voel je dat vooral?”
Voor een puber voelt alles groter. Door dat serieus te nemen, ontstaat er veiligheid en ruimte om te praten.
4. Gebruik humor waar het kan
Pubers gedijen goed op volwassenen die iets ‘licht’ brengen, zichzelf niet te serieus nemen en kunnen lachen. Niet om hen uit te lachen, maar om samen te lachen. Humor opent, kritiek sluit. Verbinding ontstaat vaak juist in de speelsheid.
Duidelijke kaders geven veiligheid
Autonomie betekent niet grenzeloosheid. Pubers hebben kaders nodig om zich veilig te voelen. Denk aan een omheind bos met ruimte om te ontdekken. Wees daarom expliciet: wat verwacht je, wat is niet oké en waarom? Helderheid over wie, wat, waar, wanneer en hoe voorkomt misverstanden en eindeloze discussies. Binnen die kaders mag een puber experimenteren en ervaren.
De 70-20-10-regel in het omgaan met pubers
Een helpend uitgangspunt in het contact met pubers is deze verdeling:
- 70% supportive: zien, luisteren, aanmoedigen, interesse tonen
- 20% praktisch: afspraken, schoolzaken, planning
- 10% corrigeren of mopperen
Veel ouders en professionals ontdekken dat deze verhoudingen ongemerkt omdraaien. En dan loopt het contact vast. Door bewust meer te investeren in support, verandert vaak de hele dynamiek. Pubers lijken zelfstandig, maar hebben volwassenen keihard nodig. Volwassenen die vragen stellen in plaats van alles direct invullen. Die kaders bieden vanuit vertrouwen. En die een kind laten voelen: ik zie je, ook als we elkaar even kwijt zijn. Omgaan met pubers vraagt geen perfectie, maar wel aanwezigheid, oprechtheid en een open blik.

Over Goudeerlijk
Goudeerlijk is gespecialiseerd in opleidingen en trainingen voor professionals die werken met kinderen. Met ervaring uit de begeleiding van meer dan 10.000 kinderen combineert Goudeerlijk wetenschappelijke kennis met praktijkervaring, altijd met aandacht voor het hele systeem rondom het kind. Theorie en praktijk zijn daarbij onlosmakelijk met elkaar verbonden: alles wat wordt gedeeld is gebaseerd op ruim twintig jaar werken met kinderen, ouders en professionals in de dagelijkse praktijk.
Onze andere blogs
Meer lezen en luisteren?
Ontdek onze andere gratis blogs met podcasts over emoties, zelfvertrouwen, gedrag, complimenten en meer!